Mahler in Amerika – een Amerikaanse droom doorprikt

1870. De Gilded Age – ‘de vergulde tijd’, een sarcastische zinspeling op de Golden Age – liet wolkenkrabbers, treinstations, operahuizen en concertzalen verrijzen uit het puin van Amerikaanse steden na de Amerikaanse Burgeroorlog. De cultureel-economische boost bedekte de extreme armoede met een dun laagje goud dankzij steenrijke families die het geld weer lieten rollen. Hun doel? Het Amerikaanse orkestwezen wakker schudden met Europese sterren. Met succes: in 1907 staarde Gustav Mahler (1860-1911) met open mond naar de skyline van New York vanuit zijn kamer in Hotel Majestic.

Gustav Mahler was zonder enige twijfel een van de beroemdste dirigenten rond de eeuwwisseling. Gevreesd door orkestmusici omwille van zijn bovenmenselijke eisen en gelauwerd door de pers voor beklijvende operavoorstellingen, kreeg hij in 1897 de eer om muziekdirecteur te worden van de Weense Staatsopera. Maar tijdens deze periode werd er langs alle kanten op hem ingebeukt. De Weense antisemitisch gekleurde pers kon de aanstelling van de tot het christendom bekeerde Mahler niet verkroppen. Daarnaast beantwoordden de musici en zelfs het technisch personeel zijn dictatoriale leiding en extreme eisen steeds vaker met acties en verzet. Mahler zelf gaf geen duimbreed toe en wierp uiteindelijk de handdoek in de ring met een emotionele brief (‘In plaats van een voltooid project laat ik een brokstuk achter’), maar niet zonder eerst voor een vangnet te hebben gezorgd. Heinrich Conried, directeur van de Metropolitan Opera in New York, trok al een tijdje aan Mahlers mouw en kon hem dankzij een lucratief contract binnenhalen. De Mahlergezinde Weense pers kreeg lucht van de transfer en reageerde met een sneer naar Amerika en iets dat op een mea culpa lijkt: ‘Nauwelijks is Mahler in de Oude Wereld weer vrij of de Nieuwe Wereld pakt hem in. Sirenen lokken hem van over het water en wij laten die man gaan.’ Honderden fans en collega’s waaronder Klimt, Schönberg en Zemlinsky zwaaiden hem en zijn vrouw Alma uit aan het perron in december 1907.

Getrek en geduw
Naast deze professionele besognes bleef het gezin Mahler in 1907 niet gespaard van persoonlijke mokerslagen. In dat jaar verloren ze hun vierjarige dochter Maria Anna (koosnaam Putzi), kreeg de geestelijke gezondheid van Alma een knauw en werd bij Mahler een hartafwijking vastgesteld. Het warme welkom in New York en de luxe van het sjieke Hotel Majestic, compleet met twee vleugelpiano’s, konden vanzelfsprekend de rouw om Putzi niet verzachten. Een pleister op die gapende wonde was wel zijn gelauwerde debuut bij de Metropolitan Opera met Tristan und Isolde, maar al tijdens de eerste repetitie werd duidelijk dat Conried naast een muzikaal genie ook een onverzettelijk karakter had binnengehaald. ‘Meteen stoppen, zo kan ik mijn eigen orkest niet horen!’, snauwde Mahler naar het koor dat in de aangrenzende foyer aan het repeteren was. De directie nam het er graag bij: niet de lasten, ook niet de lusten, moeten ze gedacht hebben.

Het tweede seizoen bij de Metropolitan Opera begon met wat ellebogenwerk tussen Mahler en Arturo Toscanini, overgekomen vanuit La Scala van Milaan en pas aangesteld als comuziekdirecteur door Conrieds opvolger Giulio Gatti-Casazia. Mahler ging ervan uit dat het Duitse operarepertoire zijn domein zou blijven en dat de Verdi’s, Puccini’s en Donizetti’s op het bureau van de nieuweling zouden belanden, maar hij vergiste zich: Toscanini had zijn zinnen gezet op een debuut met Tristan und Isolde, uitgerekend het werk waarmee Mahler een jaar eerder de blits had gemaakt. Met een ziedende brief stelde Mahler orde op zaken en werd Verdi’s Aïda het debuut van Toscanini. Maar het vertrouwen tussen de Met en Mahler was beschadigd. En er waren kapers op de kust…

Dor orkestlandschap
Aan het begin van de 20e eeuw telde New York drie orkesten: de Metropolitan Opera, de New York Symphony Society en de New York Philharmonic Society. Maar alle drie stonden ze in de schaduw van het orkest in Boston dat als het enige Amerikaanse orkest van wereldklasse gold. Mahler ging in op de uitnodigingen van zowel de Symphony als de Philharmonic om symfonische concerten te dirigeren, maar het was de vermogende voorzitter Mary Sheldon van de New York Philharmonic die het meest verleidelijke voorstel deed. Ze bood hem een ‘eigen orkest’ aan, waarvan hij de touwtjes volledig in eigen handen mocht houden. Mahler zag hier een mooie kans om zijn eigen werk te promoten: ‘Een boom heeft zo’n vruchtbare bodem nodig om niet te sterven.’ Sheldons manoeuvre kwam niets te vroeg: haar orkest lag op apegapen door amper 18 (!) concerten per jaar, donkerrode cijfers en een leegloop van de betere musici richting gezondere orkesten. Sheldon en haar, allemaal vrouwelijke, collega’s investeerden 3,4 miljoen dollar, breidden het werkschema uit en trokken dé leidende muziekfiguur aan in de persoon van Mahler. Het ‘damescomité’ etaleerde de nieuwe aanwinst tijdens een korte concertreeks met de nieuwe chef-dirigent, maar de pers was niet onverdeeld positief. Critici merkten een ongeziene energie en een nieuw elan, dat wel, maar hadden moeite met het bedroevende niveau van de musici (vooral de houtblazers) en met de vrijheden die Mahler zichzelf toestond. Al in Wenen was hij berucht om de wijzigingen die hij aanbracht in de ‘heilige’ partituren van Beethoven. Zelfs muziek van Richard Strauss, nota bene toen nog springlevend, onderging kleine ingrepen door Herr Direktor Mahler.

Toen hij terugkeerde naar New York voor zijn eerste volledige seizoen als chefdirigent van ‘zijn’ orkest, waren al heel wat zaken ten goede veranderd: er was een nieuwe concertmeester aangesteld, de houtblazers waren verbeterd, de concertagenda was goed gevuld en er werd een eerste tournee voorbereid. Mahler startte zelfs met een ‘historische concertreeks’ die muziek bevatte van Bach, Rameau, Händel en andere groten uit de pruikentijd in een concertklimaat waarin het publiek oogkleppen op had voor alles wat vóór Beethoven kwam. Dat en zijn experimentele programma’s met hedendaags Amerikaans repertoire (tot Charles Ives aan toe) en Engelse en Franse componisten zoals Elgar en Berlioz gaven criticasters voldoende munitie om Mahlers beleid op de korrel te nemen en het publiek bleef dan ook weg van deze concerten. Mahlers artistieke carte blanche bij de New York Philharmonic stond op de helling.

Mary Sheldon van de New York Philharmonic bood hem een ‘eigen orkest’ aan, waarvan hij de touwtjes volledig in eigen handen mocht houden.

Stank voor dank
1911. Mary Sheldon en haar collegabestuurders waren deels in hun opzet geslaagd. De New York Philharmonic was een belangrijke speler geworden, het niveau was aanzienlijk gestegen, het repertoire werd behoorlijk uitgebreid en een solide basis voor de uitbouw van een modern orkest was een feit. Maar de kritiek op Mahlers artistieke keuzes werd steeds snerpender en enkele dagen voor wat zijn laatste concert in Amerika zou worden, riep het ‘damescomité’ de steeds zwakker wordende chef-dirigent bij hen. Officieel stond de bespreking van het derde seizoen op de agenda, maar in werkelijkheid werd Mahler droogweg op de hoogte gesteld van een drastische beperking van zijn inspraak, met een advocaat en al. Totaal ontredderd en vernederd kwam hij thuis bij zijn vrouw Alma die niet begreep dat haar man ‘die zelfs door de Oostenrijkse keizer niet gedicteerd werd, in New York moest luisteren naar een bende vrouwen’. Mahler bleef strijdvaardig, overtuigd dat hij door hard werk zijn eer zou terugverdienen, maar zijn tanende gezondheid dwong hem tot berusting. Op 21 februari 1911 dirigeerde hij in Carnegie Hall zijn laatste concert met de New York Philharmonic met de premiere van Berceuse élégiaque van zijn goede vriend Ferruccio Busoni. Voordat Mahlers opvolger Joseph Stransky geinstalleerd werd, nam concertmeester Theodore Spiering de overige concerten voor zijn rekening, met veel succes. Busoni zag het met lede ogen aan: ‘Het gedrag van het New Yorkse publiek en de critici over deze zaak zal in mijn geheugen gegrift staan als een van de pijnlijkste herinneringen. (…) Ik heb geen enkel woord van spijt over Mahlers afscheid gehoord.’

Hemel en aarde
Mahlers Vierde en onvoltooide Tiende symfonie zullen voor biografen steeds verbonden blijven met zijn verblijf in Amerika. De verrassend kleinschalige Vierde symfonie – met de spookachtige vedel en de ontroerende ‘stem uit de hemel’ – was immers het laatste eigen werk dat hij in de Nieuwe Wereld dirigeerde. Nog in New York aanschouwde Mahler een drukbezochte rouwprocessie voor de dood van een heldhaftige brandweercommandant. Een doffe klap op een grote trom doorbrak de droevige sereniteit die over de straat hing. ‘De tranen stroomden over zijn wangen’, herinnerde Alma Mahler zich. Die doffe klap schreef Mahler enkele keren neer in zijn Tiende symfonie, die ook daar de stilte vernietigt. Musicoloog Deryck Cooke produceerde in samenwerking met enkele dirigenten een ‘uitvoeringsversie’ (hij noemde het met opzet geen ‘voltooiing’) van deze symfonie op basis van Mahlers schetsen. Het Antwerp Symphony Orchestra voert beide symfonieën uit in combinatie met werk van de Amerikanen Samuel Barber en Charles Ives.

Op 18 mei 1911 sterft Mahler in Wenen. De beschuldigingen vlogen heen en weer: een Duitse krant schreef ‘weer een slachtoffer van dollarland’ en een criticus uit Budapest verspreidde het valse, vernederende gerucht dat Mahler gedwongen werd om op termijn de Amerikaanse nationaliteit aan te nemen en dat hij zich tegenover een jury moest bewijzen op de piano en een examen muziektheorie moest afleggen. In werkelijkheid was Mahlers kwelling terug te brengen op de dood van zijn oudste dochter Maria Anna en de buitenechtelijke affaire van Alma met Walter Gropius, de latere architect van Bauhaus, wat zijn hart brak. Sterker: de beschuldigingen aan het adres van Amerika zijn naast fout, ook nog schromelijk misplaatst. Het klopt dat de New York Philharmonic een mager eerbetoon aan Mahler organiseerde na zijn overlijden (enkel het eerste deel uit zijn Vijfde symfonie werd gespeeld), maar nadat Europa Mahlers muziek nagenoeg vergeten was na jaren nazicensuur, bracht de Amerikaan (!) Leonard Bernstein zijn muziek terug naar de Wiener Philharmoniker. En al die tijd speelde de New York Philharmonic de muziek van hun onttroonde chef-dirigent gewoon door in de Carnegie Hall. SP

Van Antwerpen naar Amerika
Mahler mocht 100 jaar geleden dan wel steen en been klagen over het niveau, dankzij hem en illustere opvolgers als Toscanini, Bernstein en Stokowski groeide de New York Philharmonic uit tot een absoluut wereldorkest dat sinds kort onder leiding staat van Jaap van Zweden, voormalig chef-dirigent van het Antwerp Symphony Orchestra. Tijdens zijn inauguratie dirigeerde hij Everything Must Go van de jonge componist Conrad Tao, een op maat gecomponeerde prelude voor Bruckners Achtste symfonie. Het startschot van Jaaps American Dream wordt nog eens overgedaan door het Antwerp Symphony Orchestra. Collega en opvolger Edo de Waart, die zelf ook de Amerikaanse successen aan elkaar rijgt, dirigeert op 13 maart 2020 deze machtige muziek in de Elisabethzaal.

Zo 02.06.2019 — 11:00
Koningin Elisabethzaal, Antwerpen
Edo de Waart dirigent
Carolyn Sampson sopraan
Barber Knoxville (Summer of 1915)
Mahler Symfonie nr. 4
Tickets vanaf €12
Met gratis koffie & koffiekoek

infotickets

Vr 14.06.2019 — 20:00
Koningin Elisabethzaal, Antwerpen
Markus Stenz dirigent
Ives The Unanswered Question
Mahler Symfonie nr. 10 (‘performing version’ door Deryck Cooke)
Tickets vanaf €17

infotickets

Categorieën:Verdieping

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s