Een Amerikaan in Parijs en een Fransman in New York

Maurice Ravel, de Franse aristocraat van de muziek, en George Gershwin, de Amerikaanse trots van het entertainment. Toegegeven, het is een koud kunstje om de verschillen tussen de twee heren op te lijsten, maar ondertussen klinkt in hun werk een duimdikke laag wederzijdse beïnvloeding door die smeekt om gehoord te worden. Gelukkig is daar het Antwerp Symphony Orchestra.

Gershwin en Ravel.jpg

Aan het begin van de 20e eeuw ontmoetten de muzikale geesten van Gershwin en Ravel elkaar in de jazz, een dan nog opkomend genre in de Amerikaanse en Franse straten en bars. Die stemmige muziek — soms gedrenkt in melancholisch zelfbeklag, vaak boordevol levenslust en speelsheid — moest de gruwel van de Eerste Wereldoorlog helpen verteren. Ravel had er in Parijs al mee kennisgemaakt nog voor hij zijn eerste trip naar Amerika ondernam in 1928, getuige daarvan het bluesy tweede deel uit zijn Vioolsonate nr. 2 uit 1927. Aangekomen in New York zag hij Gershwins nieuwste musical Funny Face en hij was achteraf naar eigen zeggen ‘betoverd’. Op een feestje ter ere van Ravels 53e verjaardag ten huize van de sopraan Eva Gauthier verraste de eveneens aanwezige Gershwin het gezelschap op een soloversie van Rhapsody in Blue en enkele van zijn Broadway-songs. Volgens gastvrouw Gauthier was Ravel diep onder de indruk van het ogenschijnlijke gemak waarmee de Amerikaan pianistieke acrobatentoeren uithaalde en heerlijke melodieën uit zijn hoed toverde die hij kruidde met complexe ritmiek. Het respect was wederzijds en Gershwin overtuigde Ravel bijna om hem les te geven. De musicalcomponist wist met zijn passie voor ‘ernstige muziek’ immers geen blijf en greep alle kansen aan om begeleiding te krijgen van zijn Europese collega’s. Net als Leonard Bernstein had Gershwin het gevoel dat hij zich enigszins had vastgereden in de wereld van het entertainment en dat hij zich een weg naar artistieke erkenning moest knokken. Arnold Schönberg, wiens werkterrein niet bepaald de musicalwereld was, gaf die erkenning wel degelijk, zij het postuum: ‘Voor Gershwin was muziek de lucht die hij inademde, het voedsel dat hem voedde, de drank die zijn dorst leste. Muziek deed zijn emoties groeien, en via muziek uitte hij deze ook. Een dergelijke rechtstreeksheid is voorbehouden voor grootheden, en er is dus ook geen twijfel over mogelijk dat hij een groot componist was.’

Jazz à la française
Ravel en Gershwin brachten samen ettelijke avonden door en bezochten bekende clubs, zoals de Cotton Club waar Ravel Duke Ellington en zijn orkest aan het werk zag. En net voor hij New York verliet deed hij nog de Liederkranz Hall aan waar hij ‘King of Jazz’ Paul Whiteman, opdrachtgever van Rhapsody in Blue, observeerde tijdens een opnamesessie. Ravel was nadien zo overtuigd van de kwaliteit van jazz dat hij diezelfde maand nog een essay publiceerde waarin hij de Amerikanen opriep om jazz ‘serieus te nemen’. Hij noemde hierbij George Gershwin en zijn muziek bij naam. Ravel was als Europeaan niet te beroerd om mee te surfen op de swingende jazz die de muziekwereld in de jaren ’20 en ’30 overspoelde. Zijn Pianoconcerto in G levert hiervan een prachtig bewijs. De premiere was gepland voor 1931 met het Koninklijk Concertgebouworkest en Willem Mengelberg als dirigent. Dat was echter buiten Paul Wittgenstein gerekend. Wittgenstein wilde na het verlies van zijn rechterarm tijdens de Eerste Wereldoorlog uitvoerend musicus blijven en schreef verschillende componisten aan, waaronder Ravel, met de vraag om pianoconcerto’s voor de linkerhand te schrijven. Deze opdracht vertraagde het schrijven van het ‘gewone’ pianoconcerto en Ravel zou het niet meer tijdig klaar krijgen om het voor het Nederlandse publiek boven de doopvont te houden. Ondertussen ging de gezondheid van de al zo tengere Ravel zienderogen achteruit en moest hij tijdens de premiere de solopartij afstaan aan pianiste Marguerite Long. Het eigen Parijse publiek proefde in 1932 als eerste van Ravels ‘mythische’ en ‘heerlijke’ concerto, om de woorden van componist Florent Schmitt te gebruiken. Andere collega’s waren minder enthousiast en hadden een steviger uit de kluiten gewassen concerto verwacht in plaats van dit amper 24 minuten durende ‘concertino waarin het lijkt alsof de componist niet echt veel te zeggen had, maar wel intelligent genoeg was om dat  te verbergen’, aldus Constant Lambert. Maar Long en Ravel begonnen aan een ware zegetocht doorheen Europa, met Antwerpen als eerste halte en etappes in onder meer Brussel, Amsterdam, Wenen en Berlijn. Elk concert snoerde criticasters steeds meer de mond. De redenen voor die populariteit liet Ravel mogelijk zelf al optekenen in een interview enkele maanden voor de wereldcreatie. Hij zei er dat een pianoconcerto lichtvoetig en briljant a la Mozart moest zijn, en niet dramatisch en complex. En inderdaad, het concerto lijkt uitsluitend te bestaan uit fijne penseelstreken, ontdaan van onnodige verfklodders of schreeuwerige kleuren die de aandacht afleiden van de essentie. Een flinke klap van de zweep geeft het startschot voor die korte ‘reis rond de wereld’ waarin Ravel onder meer naar Gershwin, Stravinski en Milhaud kijkt. Voor het tweede deel liet Ravel zich inspireren door Mozarts Klarinetkwintet: bij beide werken komt de directheid van de muziek intens binnen, maar steeds zachtaardig en allerminst opdringerig. Eenvoud in haar meest ontwapenende vorm. Ravel laat ondertussen niet na om ook in dit deel blue notes als Amerikaanse specerijen over het klavier heen te strooien. De verstilling aan het einde van het tweede deel is het signaal voor de speelvogel in Ravel om ten tonele te verschijnen. Doorspekt met niet te missen verwijzingen naar het eerste deel wikkelt een spectaculaire beurtrol tussen de solist en de blazers zich af en besluit een droge mep op de grote trom de gebalde finale.

Net als Leonard Bernstein had Gershwin het gevoel dat hij zich enigszins had vastgereden in de wereld van het entertainment en dat hij zich een weg naar artistieke erkenning moest knokken.

Bruisende stad
In hetzelfde jaar waarin Ravel optrad in de Amerikaanse zalen en oren en ogen de kost gaf tijdens jazzconcerten, begon Gershwin aan een orkestwerk over Ravels thuisstad Parijs. An American in Paris werd opgevat als een symfonisch gedicht. Die vorm, die door figuren als Liszt en Strauss onlosmakelijk verbonden was met de ‘klassieke’ muziek, werd hier ingevuld door een roetsjbaan van stijlen, impressies, klankeffecten, versnellingen, vertragingen en plotse stops. In de handen van Gershwin werden de straten van Parijs rapsodisch aangeklede notenbalken. Zo worden toeterende auto’s die rakelings voorbij de Amerikaanse bezoeker scheren raak georkestreerd door echte taxihoorns die Gershwin uit Parijs had meegenomen. Door nog enkele saxofonisten aan het orkest toe te voegen is de Frans- Amerikaanse kruisbestuiving een feit: hoewel Ravel niet genoemd werd, wees Gershwin onder meer Claude Debussy en de leden van de Franse componistengroep Les Six aan als belangrijke inspiraties voor het werk. Maar het blijft Gershwin zelf die de inkt op het muziekpapier doet bruisen van verkeersdrukte en kabbelen als onbekommerde wandeltochten. De muziek wordt voor het eerst voor langere tijd gekalmeerd wanneer een trompet een bluesy solo inzet onder begeleiding van zwoele saxofoons. Een teken van heimwee naar de bakermat van de jazz of gewoon nog steeds een muzikale luisterervaring in de Parijse straten? Beiden zijn mogelijk, maar vast staat dat dit Gershwins ‘symfonische jazz’ op z’n best is. Vooraleer hij een malse blue note opvoert aan het einde van zijn symfonisch gedicht, laat hij eerst nog de talrijke voorgaande thema’s over elkaar struikelen tijdens een krankzinnige rush richting slot. Zo laat George Gershwin op nog geen twintig minuten tijd het Parijse stadsleven horen van zowel overdag als ’s nachts in een verrassend lappendeken van genres en orkestrale effecten.

En verder…
Maar voor het zover is, opent het concert eerst met de Caribische percussie van Gershwins Cuban Overture uit 1932. Dit werk heeft hetzelfde uitgangspunt als An American in Paris, namelijk het verklanken van persoonlijke impressies van een stad, in dit geval Havana. Maurice Ravel sluit aan met de door hemzelf koel beminde Pavane pour une infante défunte. Dit oorspronkelijk pianistiek tussendoortje ging volgens de componist met te veel aandacht lopen ten koste van zijn ander werk, maar werd toch in 1910 georkestreerd voor klein orkest met de hoornist in de hoofdrol. Een jaar later onderging zijn pianowerk Valses nobles et sentimentales dezelfde kuur en schreef hij orkestpartijen uit voor deze achtdelige Franse versie van de Oostenrijkse wals. Ravels Amerikaanse vriend Gershwin komt tot slot op bezoek met An American in Paris waarmee het Antwerp Symphony Orchestra dit eerbetoon aan twee op een heerlijk creatieve manier verwante geesten afsluit. SP

Za 26.01.2019 — 15:00
LAATSTE TICKETS
Koningin Elisabethzaal, Antwerpen
Zo 27.01.2019 — 20:00

CCHA, Hasselt
Kazuki Yamada dirigent
Steven Osborne piano

Gershwin Cuban Overture
Ravel Pianoconcerto in G
Ravel Pavane pour une infante défunte
Ravel Valses nobles et sentimentales
Gershwin An American in Paris

Tickets vanaf €13

infotickets

 

 

 

Categorieën:Verdieping

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s