Philippe Herreweghe wordt 70

 

‘Eens je in de muziek zit — er letterlijk binnenin zit — wordt alles duidelijk, echt en werkelijk.’ 

Op café, tussen twee repetities door, op de knusse sofa of onderweg naar een concert. De interviews die Camille de Rijck met Philippe Herreweghe ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag voerde, vonden overal plaats. Herreweghe vatte zijn muzikale traject samen en vertelde honderduit over zijn gedachten, zijn muzikale en persoonlijke afwegingen. Het volledige gesprek wordt weergegeven in een luxueus uitgegeven anthologie van zijn meest markante uitvoeringen. Speciaal voor het magazine van het Antwerp Symphony Orchestra mocht al een tip van de sluier opgelicht worden. Een unieke inkijk in de innerlijke wereld van deze wereldvermaarde dirigent.

‘Er is een zekere terughoudendheid ingetreden, men wil het publiek niet tegen de haren in strijken. Alsof het publiek altijd weer naar dezelfde symfonieën en dezelfde missen wil luisteren.’

Maakt u deel uit van de pioniersgeneratie van de authentieke uitvoeringspraktijk, die haar repertoire sterk heeft uitgebreid door zich elementen uit de oude muziek eigen te maken?
Jawel, en ik ben niet de enige die dat pad is ingeslagen. Ik denk daarbij uiteraard aan John Eliot Gardiner, maar ook aan iemand zoals Ton Koopman, wiens naam ik laatst op een affiche zag als dirigent van de Negende symfonie van Beethoven met de Wiener Symphoniker. We kregen belangstelling voor andere repertoria omdat we al vele jaren met oude muziek bezig waren en het gevoel kregen dat alle stukken die ons echt interesseerden intussen wel aan bod waren gekomen. Er waren wel nog heel veel werken waarvan we, tijdens onze verkenning ervan, de kwaliteit ondermaats vonden. Wat mezelf betreft, binnen dat repertoire waren er stukken waarvan de stijl me niet echt kon boeien, dat gold bijvoorbeeld voor het grootste deel van de Franse barok. Ik heb het vaak gebracht en ik kan zeggen dat het me niet aanspreekt. Maar gelukkig heeft die muziek andere vertolkers als stuwende kracht gevonden. We kregen het gevoel dat we opgesloten zaten in een klein muzikaal hokje, namelijk dat waarin ze ons hadden gestopt. Dat enge denken heeft me altijd gestoord, want het leven heeft zoveel meer in petto. Dat gevoel benauwde ons. Zelfs Johann Sebastian Bach, wiens muziek zo rijk is, zo groots en zo geniaal, kan niet een leven lang de muzikale honger van een kunstenaar stillen. Wij zochten ontsnappingsmogelijkheden. Ik vond ze hier en daar in het repertoire dat ik speelde, ik heb immers stukken gedirigeerd van de vroege renaissance tot muziek uit de eenentwintigste eeuw, om me uiteindelijk te concentreren op een iets strakker afgelijnd repertoire: van ongeveer 1580 tot vandaag. […] Maar dat zou ongetwijfeld niet mogelijk zijn geweest als we niet, al heel snel, financieel onafhankelijk waren geworden. De muzikaal directeur van een groot traditioneel orkest — wat ik trouwens uiteindelijk geworden ben, in Antwerpen — wordt verpletterd door economische beperkingen. Een stuk wordt niet meer geprogrammeerd omdat men het aan het publiek wil laten horen; neen, de programmatie krijgt een bijna politiek aspect: het vereist massale aanhang, een zaal die vol zit. Als dat niet zo is, heeft men de indruk dat men overheidsgeld verspild heeft. Die orkesten worden heel zwaar gesubsidieerd — wat uiteraard een uitstekende zaak is. De subsidies betalen de muzikanten en de administratie; honderden mensen leven ervan (zelden weelderig). Maar ik herinner me, twintig jaar geleden, tijdens de Vara Matinees in Amsterdam, waar ik — dankzij een verlicht kunstbeleid — concerten kon geven met werk van zowel Bach als Zemlinsky en Webern. Het publiek daagde op, snoof gulzig de cultuur op en de zalen zaten vol. Die heel recente obsessie om de zalen tegen elke prijs te vullen heeft ervoor gezorgd dat men nu altijd weer dezelfde werken van dezelfde componisten op het programma wil zetten. Er is een zekere terughoudendheid ingetreden, men wil het publiek niet tegen de haren in strijken. Alsof het publiek altijd weer naar dezelfde symfonieën en dezelfde missen wil luisteren. Dat is toch een beetje absurd. Toen ik met dit beroep begon, bestond die druk nog niet en de financiële belangen leken aanzienlijk minder zwaar op de programmering te wegen. We luisterden naar muziek, we ontdekten partituren, we riepen vol geestdrift ‘ik heb zoveel zin om ze aan te pakken!’ en dat deden we dan ook, zo eenvoudig ging dat. […]

Ik veronderstel dat men ook zonder grote intellectuele bagage een groot muzikant kan zijn?
De muzikant is door middel van muziek met de wereld verbonden. Die analyse is snel gemaakt. In een strijkkwartet of in een orkest bestaat er — in het beste geval — een wisselwerking tussen de muzikanten, de dirigent en het publiek, een conversatie die niet via woorden wordt gevoerd, maar enkel via de muziek. Men kan zich voorstellen dat de rijkdom van die muziek zo groot is dat sommige muzikanten er hun hele bestaan mee kunnen vullen. Men kan een fantastische muzikant zijn zonder daarvoor een intellectueel te zijn, dat is waar. Maar naar mijn gevoel kan men geen fantastische muzikant zijn als men niet intelligent is. Er zijn immers zo veel uiteenlopende vormen van intelligentie. Emotionele intelligentie bijvoorbeeld, die kun je moeilijk missen als je muziek speelt. Velen kunnen het echter gemakkelijk stellen zonder analytische of rationele intelligentie. Maar om componist te zijn daarentegen, of dirigent, is die intelligentie heel essentieel. Sommige zangers vertrouwen op briljante wijze op hun instinct en laten zich rustig meevoeren door hun lyrische stijl, die door een dirigent of regisseur in goede banen wordt geleid. Ik moet zeggen dat in mijn tijd de conservatoria geen voorstander waren om je dingen bij te leren die verder gingen dan wat in de cursus stond. Je kunt het vergelijken met een opleiding tot loodgieter: we leerden over het contrapunt en kregen een beetje muziekgeschiedenis, maar veel verder ging dat niet. […]

‘In mijn leven heb ik piano, geneeskunde en psychiatrie gestudeerd en het enige beroep dat ik werkelijk uitoefen — dat van dirigent — is precies het enige wat ik niet geleerd heb.’

Hoe wordt een psychiater dirigent?
Mijn vader was dokter, hij bezocht soms een museum maar hij las erg weinig — behalve zo nu en dan een essay —, hij was geen kunstenaar. Mijn moeder stamde echter uit een bourgeoisfamilie waar muziek een heel belangrijke plaats innam. Bij haar thuis waren ze met vier meisjes en die speelden allemaal, stuk voor stuk, de etudes van Chopin. In die tijd was daar niets buitengewoons aan, zo ging dat in de families van de betere klasse. Ik vermoed dat ik mijn muzikaal gevoel van mijn moeder heb geërfd. Soms word ik boos op mijn zussen als ik het met hen over muzikale genen heb, want net zij zijn op dat punt weinig verwend geweest. Maar we hebben dezelfde opvoeding gehad, we komen uit een milieu waar meisjes muziek maakten en jongens als vanzelfsprekend in de voetsporen van hun vader traden, en uiteindelijk ben ik degene die musicus is geworden. Op school was ik altijd de eerste van de klas. Als ik dat eens niet was, zweeg mijn vader me maandenlang dood. Hij had voor mijn moeder een prachtige Pleyel gekocht en ik ging er als vanzelf achter zitten. Ik heb letterlijk mijn intrek genomen bij de piano. Het is weleens gebeurd dat ik onder de piano in slaap viel terwijl mijn moeder speelde, ik zal toen twee of drie geweest zijn. […]

Om even terug te komen op uw vraag over mijn levenskeuze, je moet de zaken in hun context plaatsen. Mijn vader heeft echte armoede gekend. Hij is iemand die weet wat het is om honger te lijden. En ik had de plicht, zo had hij het toch min of meer uitgestippeld, zijn tegenslag te wreken. Ik moest de eerste van de klas zijn, ik moest tennissen om meisjes van gegoede families te ontmoeten en muziek spelen omdat dat de basis is van elke goede opvoeding. Toen ik van muziek mijn beroep wilde maken, scheelde het geen haar of hij had me aan de deur gezet. Hij was trouwens ook niet echt opgetogen over mijn keuze voor psychiatrie. Ik heb besloten me daarop te storten. Er waren tweeënveertig kandidaten en drie plaatsen voor een assistent. Ik werd geselecteerd. Ik heb drie jaar psychiatrie gestudeerd en toen ben ik gestopt, net voor ik aan neurologie moest beginnen, waarvoor ik nog eens twee jaar langer had moeten studeren. Ik wist niet goed waarvan ik moest leven. Toen mijn vader met vakantie ging, nam ik ongeveer drie weken lang zijn praktijk over. Daarmee verdiende ik genoeg om als muzikant een jaar te overleven. Heel eenvoudig dus, in een dienstbodenkamertje en zonder enig idee wat de toekomst zou brengen. Het was een aparte tijd. Nu ik erop terugkijk, vind ik dat ik beter orkestdirectie gestudeerd zou hebben in plaats van psychiatrie. In mijn leven heb ik piano, geneeskunde en psychiatrie gestudeerd en het enige beroep dat ik werkelijk uitoefen — dat van dirigent — is precies het enige wat ik niet geleerd heb. […]

‘Ik, die door twijfel achtervolgd word, voel me overspoeld worden door een soort van zelfverzekerdheid die elke vorm van plankenkoorts tenietdoet op het moment dat ik plaatsneem voor mijn ensembles.’

Welke plaats neemt twijfel in uw leven in?
Het is iets wat me kenmerkt, maar ik weet niet waar het vandaan komt. Twijfel is alomtegenwoordig, vaak destructief en negatief. Misschien zit twaalf jaar onderricht bij de jezuïeten daar voor iets tussen. Twijfel kan een hoop onevenwicht veroorzaken. Als je te hard twijfelt, functioneer je minder goed. Wanneer ik iemand hoor praten, stel ik me altijd — systematisch — de vraag of wat die persoon vertelt wel gegrond is. Ik aanvaard niets als vaststaand. Dat is ongetwijfeld een overblijfsel van de jezuïeten, maar ook van de artsenpraktijk die er steeds op hamert dat je dingen in vraag moet stellen. In mijn geval neemt het echter extreme trekjes aan en dat is niet per se positief. Aan de andere kant ken ik ook dirigenten die nooit twijfelen en — ook dat — is te horen in hun muziek. Ik heb een neiging die de teams van mijn label, Phi, enorm op de zenuwen werkt; telkens als ik een van onze opnames beluister — net voor ze op de markt komen — vraag ik om de plaat niet uit te brengen, ik vertel hun dat ze absoluut niet geschikt is om uitgegeven te worden. En door te luisteren en nog eens te luisteren neem ik afstand en overtuig ik mezelf ervan dat je het geluidsbeeld van je werk moet aanvaarden zoals het is, dat het is wat het is. Je zou kunnen stellen dat het paradoxaal is dat een dirigent zo door twijfels gekweld wordt. Algemeen wordt nu eenmaal aangenomen dat een dirigent iemand is die voor iedereen beslissingen neemt, dat het een man is naar wie geluisterd moet worden, goedschiks of kwaadschiks. Dat is misschien een beetje kort door de bocht als idee over wat het werk van een leider en dirigent van een ensemble inhoudt. Want in onze realiteit — die van het Collegium Vocale en het Orchestre des Champs-Elysées — is een orkestleider degene die het geld bij elkaar zoekt, degene die — elke sponsor afgaand — uiteindelijk de middelen vindt om het loon van de muzikanten (en tegelijk ook het zijne) te kunnen betalen. Een orkestleider is iemand die de instrumentisten aanneemt, die maakt dat elke pupiter bezet wordt door vrouwen en mannen die deze artistieke onderneming waardig zijn. Soms is het moeilijk en moeten bepaalde muzikanten opzij worden gezet. Kortom, het beroep van orkestleider bestaatvooral uit het organiseren van alles. Rond mij cirkelen om en bij de driehonderd mensen. Dat even terzijde, als ik vandaag tegenover mijn muzikanten sta, verdwijnt de twijfel als sneeuw voor de zon. Men heeft het vaak over ‘de slinkse streken van verlegenheid’, maar in mijn geval gaat het veeleer om het lef van de verlegenheid. Ik, die door twijfel achtervolgd word, voel me overspoeld worden door een soort van zelfverzekerdheid die elke vorm van plankenkoorts tenietdoet op het moment dat ik plaatsneem voor mijn ensembles. Zelfs als ik voor beroemde orkesten sta, zoals de Berliner Philharmoniker, of het Concertgebouw, vertoon ik geen enkel spoor van zenuwen. Toen ik jonger was, heb ik er uiteraard wel af en toe last van gehad, omdat ik niet goed genoeg voorbereid was, maar vandaag overkomt me dat nooit meer. Dat is ook een van de redenen waarom ik zo gek ben op mijn beroep, want tijdens een concert of een repetitie ben ik volledig vrij van twijfel. En daarna, wanneer de lichten uitgaan, keert ze terug. Het is geen angst van het moment, maar een anticiperende nervositeit die alleen opduikt voor ik aan iets begin. Je kunt het vergelijken met alpinisten die maanden of zelfs jaren lang een beklimming voorbereiden en die — eens het zover is — enkel nog moeten genieten van het plezier van het klimmen. Eens je in de muziek zit — er letterlijk binnenin zit — wordt alles duidelijk, echt en werkelijk. […]

Uittreksels uit het cd-boek ‘Philippe Herreweghe. A conversation with Camille De Rijck’ (boek + 5 cd’s, PHI LPH 026, 2017, verkrijgbaar in het Frans, Nederlands en Engels)

Do 18.05.2017 — 20:00
Cultuurcentrum Hasselt, Hasselt
Vr 19.05.2017 — 20:00 (Uitverkocht)
Koningin Elisabethzaal, Antwerpen
Za 20.05.2017 — 20:00
Muziekcentrum De Bijloke, Gent
Zo 21.05.2017 — 19:00
Paleis voor Schone Kunsten, Brussel
Philippe Herreweghe dirigent
Christina Landshamer sopraan
Ann Hallenberg mezzosopraan
Werner Güra tenor
Krešimir Stražanac bas
Collegium Vocale Gent
Brewaeys On a day (uit: Sonnets to sundry notes of music)
Berlioz Tristia (drame lyrique)
Beethoven Symfonie nr. 9

Bekijk alle concerten in de concertreeks ter gelegenheid van de 70e verjaardag van Philippe Herreweghe op www.herreweghe70.be

Categorieën:Extra, Interview

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s