Het orgel ‘goes solo’

Na jarenlange restauratie zullen in 2017 alle pijpen en blaasbalgen van het titanische Schyven-orgel van de Antwerpse Kathedraal eindelijk helemaal gerestaureerd zijn. Meesterorganist Peter Van de Velde trekt alle registers open en blaast samen met het Antwerp Symphony Orchestra nieuw leven door het grootste negentiende-eeuwse instrument van ons land op de tonen van het feestelijke Orgelconcerto van Robert Groslot. Dirigent Karel Deseure voegt daar met de Derde symfonie van Saint-Saëns de beroemdste, meest fantasierijke orgelsymfonie uit de concertliteratuur aan toe.

Onder impuls van Belgische en Franse componisten als Lemmens, Franck en Widor ontwikkelde zich een idiomatische orgelstijl.

Het beeld van het orgel als kerkinstrument ontwikkelde zich tijdens de middeleeuwen. De oudste telg onder de klavierinstrumenten is echter van alle markten thuis. Bij zijn uitvinding in 300 v. C. in Alexandrië werd het instrument aanvankelijk eerder als een technologische curiositeit gezien. Pas in de negende eeuw werd het voor enkele eeuwen vooral opgeëist door de kerk. Het ingenieurskundige aspect was intussen continu in ontwikkeling zodat orgels van verschillende formaten — sommige draagbaar en verplaatsbaar — in verschillende contexten ingezet konden worden. In de barok ontwikkelde zich zo een nieuw muzikaal genre: het orgelconcerto, een werk voor solistisch orgel en begeleidend orkest.

De barok was de periode bij uitstek waarin de speeltechnische uitdagingen van instrumenten werden aangegaan in diverse niet-religieuze genres. Aansluitend bij deze trend waren de sporadische duels tusssen klavierspelers: zo demonstreerde Händel in 1707 in Rome zijn uitzonderlijke capaciteiten als organist tijdens een duel met Domenico Scarlatti. Hij werd uitgeroepen tot winnaar (al werd met verschillende maten en gewichten gewogen: Scarlatti’s spel op het klavecimbel moest opboksen tegen dat van Händel op het orgel). Op die manier veroverde Händel een troef die hij handig uitspeelde in zijn orgelconcerto’s opus 4 en 7. Deze twaalf werken fungeerden als interludes tijdens de uitvoeringen van Händels oratorio’s in Covent Garden en als solist in zijn eigen werk vormde Händel een geduchte concurrent van theaters die konden rekenen op een publiekstrekker als de castraat Farinelli.

De orgelconcerto’s van Händel dienden lange tijd als voorbeeld voor latere componisten van gelijksoortige werken, maar in het begin van de negentiende eeuw kon het orgel de ontwikkelingen in het muzikaal-expressief denken van die tijd niet meer ondersteunen. Het probleem was zijn blokvormige, vlakke dynamiek waarmee het aan persoonlijke expressie tekortschoot. Als solo-instrument in een concerto verloor het daardoor aan populariteit. Wel werd het af en toe opgenomen in het symfonische orkest, dat alsmaar uitgebreider, wendbaarder en kleurrijker werd en er wél in slaagde de romantische gevoeligheid van de componist te bedienen. Op de lijst met dergelijke werken prijken heel wat ‘hits’, zoals Mahlers Tweede symfonie of Strauss’ Also Sprach Zarathustra.

Een tijd lang bleven nieuwe uitvindingen en trends ‘gisten’: in 1812 was er de uitvinding van het ‘orgue expressif’, er was de impact van Cavaillé-Col op de orgelbouw en de eigenaardige trend om ‘stormstukken’ voor orgel te schrijven. Onder impuls van Belgische en Franse componisten als Lemmens, Franck en Widor ontwikkelde zich een idiomatische orgelstijl en samen met Reger, Rheinberger en Guilmant zetten deze componisten het orgel terug op de kaart van de niet-religieuze muziek. Tegen het einde van de eeuw slaagde het orgel erin het symfonische orkest bij te benen qua kleurenpalet. Franck prees zijn instrument in de Église Sainte-Clotilde letterlijk als ‘een orkest’ en Widor was ervan overtuigd dat ‘het moderne orgel in essentie symfonisch was.’ Beide componisten schrokken er dan ook niet voor terug symfonieën voor solo-orgel zonder orkest te schrijven. Ergens tussen deze praktijk en die van Mahler in zijn Tweede symfonie in kunnen we volledigheidshalve ook Jongens Symphonie Concertante en Coplands Orgelsymfonie situeren, waarin orgel en orkest aan elkaar gewaagd zijn.

Op technologisch vlak experimenteerde men in de twintigste eeuw verder met elektrische, elektronische en digitale mogelijkheden. Het bekendste product van die vernieuwingen is wellicht het hammondorgel. Daarnaast zochten hervormers in de orgelbouw terug inspiratie bij historische instrumenten. Historiciteit en een steeds verder doorgedreven moderniteit zijn wellicht ook de kernbegrippen voor het esthetische denken vanaf dan. Voor het genre van het orgelconcerto betekende dit goed nieuws. Of nu een rapsodische en kleurgevoelige Francis Poulenc zich aan het schrijven zette, een architectonisch ingestelde Jón Leifs of een repetitieve en psychedelische Terry Riley: het orgel kon ongegeneerd zijn starre, excentrieke zelf blijven. SVA

Vr 23.06.2017 — 20:00
Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, Antwerpen
Karel Deseure dirigent
Peter Van de Velde orgel
Groslot Orgelconcerto
Saint-Saëns Symfonie nr. 3

Tickets € 30

Categorieën:Verdieping

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s