Cristina Branco en het huis van de fado

De frêle, hese stem van Cristina Branco is de laatste decennia uitgegroeid tot het symbool van wat Portugese fado vandaag  kan zijn: fijnzinnig, melancholisch, trouw aan de traditie en tegelijk altijd op zoek naar nieuwe wegen. In mei komt ze samen met haar artistieke hartsvriend, pianist en arrangeur Mário Laginha, naar Antwerpen voor een concert met het Antwerp Symphony Orchestra vol oude en nieuwe fado’s, aangevuld met breekbare Portugese volksliederen. Aan de telefoon vertelt ze ons honderduit over haar leven met de klanken van de Portugese traditie: over hoe fado niet haar eerste keuze was, maar het wel werd, over hoe graag ze thuiskomt in het huis van de fado, maar ook over haar wens om er af en toe uit weg te trekken.

‘Ik hoorde die paar liederen van Amália, ik was helemaal overdonderd door haar vertelkracht en plots zag ik een glimp van een toekomst die voor mij leek klaar te liggen.’

Hoe is fado eigenlijk op je pad gekomen?
Ik werd voor het eerst echt verliefd op fado toen ik achttien werd en mijn grootvader me een langspeler met muziek van Amália Rodrigues cadeau deed. Die plaat, maar ook de lange gesprekken met mijn grootvader erover, maakten dat ik opeens alles ging opzoeken wat er maar te lezen en te beluisteren viel over fado en over Amália Rodrigues. Tot dan hield ik veel meer van jazz en blues, van Braziliaanse muziek ook. Ik ben geboren twee jaar voor de revolutie: voor mijn generatie was fado iets van het Salazar-regime, iets waar we eigenlijk niets mee te maken wilden hebben. Mijn grootvader wilde me duidelijk maken dat fado veel meer was dan alleen maar dat. Op je achttiende heb je geen nood aan dat soort discussies, maar mijn grootvader bleef aandringen: hij wilde dat ik contact maakte met de Portugese traditie en dat ik begreep dat er iets van de Portugese identiteit, onze portugality — als ik het zo mag noemen — in die muziek zat vervat. En toen gebeurde het opeens: ik hoorde die paar liederen van Amália, ik was helemaal overdonderd door haar vertelkracht en plots zag ik een glimp van een toekomst die voor mij leek klaar te liggen — ook al wist ik het nog niet.

Hoe zou je die typische portugality dan omschrijven?
Het heeft volgens mij veel te maken met de geografie van ons land. We liggen op het einde van Europa, met achter onze rug het hele continent en voor ons enkel de zee met al haar beloften: dingen om te ontdekken, maar ook dingen om over na te denken. Dat alles maakt ons een beetje romantisch, maar ook heel beschouwend, vol verlangens en verwachtingen. Ik denk dat fado daar vandaan komt. Het zit gewoon in ons DNA, je kan er niet aan ontsnappen.

Je stem klinkt helemaal anders dan die van Amália Rodrigues, maar toch heb je ook dat hese randje in je stem. Waar komt dat vandaan?
Dat weet ik eigenlijk niet. Je hoort gewoon mijn ziel, denk ik (lacht). Het heeft misschien ook te maken met het feit dat ik altijd, sinds het prille begin, heb geprobeerd om zo goed mogelijk te begrijpen wat een dichter wil vertellen. Ik probeer het ritme van een tekst zo goed mogelijk te respecteren, bijna alsof ik een acteur ben. Daardoor klinkt mijn stem soms wat rauwer: ik wil dat de mensen me begrijpen. Maar meer hoeft ook niet. Die traditie waarbij fadista’s soms bijna schreeuwen, bekoort me helemaal niet. Bekijk het zo: als het mogelijk zou zijn om bij een lekker drankje de alcohol van de essentie te scheiden, dan ben ik typisch iemand die de essentie boven de alcohol verkiest.

Vind je het soms niet jammer dat buiten Portugal het merendeel van je luisteraars niet begrijpt waarover je zingt?
Jazeker. Ik kan er niet voor zorgen dat de mensen woord voor woord verstaan wat ik zing, dat is nu eenmaal zo en soms geeft me dat zelfs een onrustig gevoel. Maar ik probeer wel altijd voor ik aan een nummer begin in een paar woorden uit te leggen waarover een lied gaat. En soms, als je de tekst met grote intensiteit brengt en ook de muziek laat spreken, dan voel je ineens dat mensen wel verbinding kunnen maken met wat je aan het vertellen bent: heel bijzonder is dat, bijna magisch. Maar je hebt gelijk, soms zou ik willen dat er een universele taal bestond, waarin iedereen elkaar onmiddellijk zou begrijpen. Maar ook dat zou eigenlijk geen echte oplossing zijn. Portugees is een ongelofelijk mooie taal, met een bepaalde klank en gevoeligheid die je in het Engels niet vindt. Mijn identiteit, wie ik ben en wat ik te vertellen heb, is onlosmakelijk met de klank van de Portugese taal verbonden.

‘Musiceren met een orkest geeft me altijd een extreem positief gevoel, omdat je zo duidelijk voelt dat je niet alleen bent.’

Hoe is het voor jou om samen te werken met een symfonisch orkest? Kijk je ernaar uit?
Ik mocht in het verleden al met verschillende orkesten samenwerken: een heel groot voorrecht vind ik dat. Elke keer opnieuw voelt het alsof ik de kans krijg om grenzen te overschrijden. Ik word er muzikaal, maar ook persoonlijk telkens sterker van. Musiceren met zo’n grote groep mensen geeft me altijd een extreem positief gevoel, omdat je zo duidelijk voelt dat je niet alleen bent. Tegelijk krijg je de kans om al die nieuwe kleuren en tonaliteiten te ontdekken en daardoor ontdek ik op mijn beurt weer nieuwe aspecten van mijn eigen stem en mijn eigen muzikaliteit. Maar het is natuurlijk wel een uitdaging, omdat het zo anders is dan wat ik normaal doe.

Je brengt in dit programma ook enkele oude Portugese volksliederen: waarom?
Omdat ze zo mooi zijn (lacht)! Fado is een stuk van onze identiteit, maar dat geldt net zo goed voor die oude volksliederen. Daarin voel je vooral de geest van de mensen uit het binnenland van Portugal. Veel van deze liederen maken deel uit van een orale traditie, ze werden dus nooit neergeschreven en het is alleen maar dankzij het werk van enkele koppige musicologen dat we deze melodieën vandaag kunnen herontdekken. Sommige volksmelodieën zijn nog steeds gemeengoed in bepaalde streken van Portugal, maar andere hoor je zelden nog. Mário Laginha maakte er prachtige arrangementen van, waardoor ze heel teer en delicaat aanvoelen.

Op je laatste cd werkte je samen met jonge indie-rockers uit Portugal, in 2011 maakte je een tangoplaat. Voel je soms de nood om de fado achter je te laten?
Fado zal altijd een belangrijke rol spelen. Ik denk graag dat ik zo ver kan gaan als ik wil, maar dat ik tegelijk ook altijd kan terugkeren. Fado is als het ware mijn comfortzone: dankzij fado ben ik kunnen groeien als zangeres, heb ik geleerd wat het betekent om een professioneel muzikant te zijn. Fado is mijn thuis. Maar soms voelt het huis van de fado te klein aan. De traditionele fado evolueert weinig, klinkt soms teveel als altijd maar hetzelfde. Dat is niet genoeg voor de nieuwsgierige ziel die ik ben. Dus soms vertrek ik uit dat huis. Maar maak je geen zorgen: ik zal er ook altijd naar terugkeren. AP

Wat is fado?
Een Portugese gitaar, een krachtige en doorleefde stem, een zwarte omslagdoek en veel gevoel. Deze elementen tekenen fado, een stukje Portugees erfgoed met eenvoud als grootste troef.

Het lied van Lissabon
Wie het over Portugal heeft, kan er niet omheen. Fado is de ultieme uitdrukking van de Portugese volksziel. Een lied waarin de Portugezen uit de arme wijken van Lissabon het leven bezongen. Een lied waarin ze vertellen over liefde, vriendschap en blijdschap, maar nog vaker over verdriet, heimwee en het alledaagse. Met zeer expressieve en melancholische liederen grijpen ze terug naar lang vervlogen tijden, in een poging
hun verdriet te verwerken. Deze emoties maakten fado zo herkenbaar dat het in een mum van tijd uitgroeide tot een volksfenomeen.

Portugese gitaar
In fado staat de ‘fadista’ (fadozanger of -zangeres) centraal, maar ook de begeleiding speelt een belangrijke rol. Typisch voor fado is de Portugese ‘guitarra’, een snaarinstrument met twaalf snaren en een peervormige, houten klankkast. Samen met de ‘viola’ (klassieke gitaar) en een staande bas of basgitaar behoort dit snaarinstrument tot de klassieke begeleiding van fado. Tegenwoordig is de keuze in begeleidende instrumenten ruimer, maar ze moeten wel steeds vervaardigd zijn uit hout en passen bij de liederen van de fadista.

Lissabon vs Coimbra
Fado kent twee uitgesproken varianten, die ondanks hun naam weinig met elkaar gemeen hebben. Naast de fado uit Lissabon ontstond er in de tweede helft van de negentiende eeuw een nieuwe variant in de universiteitsstad Coimbra. In tegenstelling tot de oude variant, die voornamelijk in trek was bij de arbeidersgemeenschap en vele vrouwelijke vertolkers kende, was deze jongere versie hoopvoller en eerder voorbehouden voor een elitegroep van mannelijke studenten aan de universiteit. Zij studeerden de liederen telkens volledig in, terwijl de variant uit Lissabon geen vast repertoire kent en vooral op improvisatie steunt. SVE

Za 27.05.2017 — 20:00
Koningin Elisabethzaal, Antwerpen
Dirk Brossé dirigent
Cristina Branco zang
Mário Laginha piano
Miguel Amaral Portugese gitaar
Bernardo Moreira contrabas

Tickets vanaf €21

Categorieën:Interview

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s