‘Niks “extra”, niks overbodig’ – In gesprek met pianist Paul Lewis

Hem een goed bewaard geheim noemen, zou een beetje overdreven zijn. Maar vast staat dat de stille opkomst van de Britse pianist Paul Lewis in schril contrast staat met de mediatieke toeters en bellen waarmee platen en concerten van mindere, hoewel soms openlijker virtuoze goden gepaard gaan. Lewis is erin geslaagd om zich ondanks zijn ontluikende carrière op een relatief rustige manier te kunnen blijven ontwikkelen. Een beetje zoals zijn leeftijdsgenoot Till Fellner, misschien niet toevallig die andere low-profile toppianist die als ‘leerling van Brendel’ bekendstaat. Zou er een verband zijn?

Dat leek alvast een bruikbare vraag voor het telefonische interview dat we met Lewis hadden naar aanleiding van zijn doortocht in ons land tijdens het komende seizoen. In september vergezelt hij deFilharmonie en Philippe Herreweghe met Pianoconcerto nr. 12 van Mozart – in een programma dat hen behalve langs Brugge, Antwerpen en Gent ook langs Graz, Villach, Besançon en Thaon-les-Vosges brengt. Later op het seizoen is hij opnieuw bij deFilharmonie te gast, dit keer met Pianoconcerto nr. 1 van Brahms onder leiding van Kees Bakels. Maar ons gesprek begon met Mozart.

Magazine deFilharmoniep5

U kiest het Concerto nr. 12 in la groot van Mozart. Dat wordt niet zo vaak gespeeld. Niet dat er een nodig is, maar hebt u een specifieke reden voor die keuze?
Het is een van de werken die ik op dit moment in mijn repertoire heb én het is een bijzonder prachtig Mozartconcerto. Het is van snit niet het meest grootse, het is eerder intiem en heeft meer een kamermuziekkarakter. Ik heb het overigens vaak als pianokwintet gespeeld, eigenlijk werkt dat even goed als met orkest. Maar zelfs als ik het met volledig orkest speel, vind ik (behalve in de onversneden schoonheid ervan) de grootste vreugde in de nabije interactie met individuele leden van het orkest. Het voelt altijd aan als kamermuziek.

U studeerde bij Alfred Brendel. U komt nu Mozart spelen en hebt een zeer nauwe band met Beethoven, van wie u de concerto’s en de sonates al vaak integraal hebt gebracht. Daarnaast hebt u een speciale boon voor Schubert en Haydn. Dat zijn de vier Weense componisten met wie Brendel de laatste decennia van zijn actieve carrière haast exclusief heeft gevuld. Is er een verband?
Nee, niet echt. Toen ik voor een masterclass de eerste keer voorspeelde voor Alfred – ik studeerde toen aan de Guildhall School of Music in Londen – koos ik al een Haydn-sonate. Als jonge tiener was ik meer met virtuoos, Russisch repertoire bezig, maar zelfs als late tiener en vroege twintiger had ik de klassieke, Duitse muziek al uitgebreid ontdekt. Daartoe voelde ik me veel meer en veel persoonlijker aangetrokken. Daarmee wilde ik meer tijd doorbrengen. Alfred heeft me dat repertoire dus zeker niet opgedrongen.

Magazine deFilharmoniep4

Vanwaar die liefde voor de eerste Weense School?
Ik hou van het expressieve spectrum van veel van die muziek. Ze is zo menselijk, we kunnen er zo gemakkelijk onszelf in terug vinden of dingen in herkennen. Luister naar Schubert: verlangen, angst, nostalgie, of gewoon nog maar het idee van herinnering dat hij zo mooi weet te verklanken. Op een bepaalde manier snijdt hij door de meest uiteenlopende culturen en nationaliteiten heen. Dat vind ik heel sterk. Die muziek is ongelooflijk direct. Dat maakt haar helder, transparant, begrijpelijk.

deFilharmonie is een traditioneel orkest, terwijl Herreweghe zijn naam en faam in de historische muziekscène heeft gemaakt – en in die zin het orkest stilistisch sterk heeft beïnvloed. U speelt op een moderne piano repertoire dat goeddeels geclaimd is door de historische muziekbeweging. Hebt u er iets van geleerd?
Ja, heel veel. Als student was ik niet bijster geïnteresseerd in authentieke praktijk. Maar je komt er sowieso mee in contact en mettertijd realiseer je je hoeveel je alleen al daardoor absorbeert aan stilistische aspecten. De laatste jaren heb ik diepgaander geëxperimenteerd met historische instrumenten, hoewel nooit op het podium. Alleen om beter te begrijpen wat een componist precies probeerde te bereiken toen hij een bepaalde passage opschreef. Die informatie transcribeer ik bij wijze van spreken voor moderne piano, waarvan ik dan ook de evidente voordelen heb, zoals de veel grotere dynamische reikwijdte. Ik probeer dus van beide benaderingswijzen het beste te weerhouden.

Een grote pianiste zei me ooit: ‘Om goed Mozart te spelen, is het belangrijker om naar zijn opera’s te luisteren dan om een oud klavier aan te slepen.ʼ Akkoord?
Dat luisteren naar die opera’s is alvast belangrijk. Er zitten veel operaelementen in Mozarts instrumentale werken. Zo is het ook essentieel om te luisteren naar Schuberts liederen om hem te kunnen begrijpen – en dus om zijn pianostukken te kunnen spelen. Wil je Beethovens klaviersonates spelen, moet je zijn symfonieën van nabij kennen. Dat alles komt op hetzelfde neer, denk ik. Maar inderdaad: het operatische in de pianoconcerten van Mozart is duidelijk: de vocale kwaliteit, het soms lichtjes exhibitionistische element (lacht).

Magazine deFilharmoniep2

Svjatoslav Richter – en velen met hem – vond Haydn spelen véél makkelijker dan Mozart. hoe komt het dat zoveel muzikanten minder bang zijn van Haydn? Is het ergonomisch-technisch? Of ligt het aan het goddelijke aura dat mettertijd rond Mozarts muziek is komen te hangen?
Ik vind ze beiden eigenlijk even moeilijk, al is het op verschillende manieren. Velen hebben inderdaad een diepe verering voor Mozart, omdat hij de ultieme perfectie in muziek zou representeren. Men wil er niks ‘verkeerds’ mee doen. Maar als je zo denkt, wordt het van de weeromstuit uiteraard nog moeilijker dan het al is (lacht). Haydn is toch ook moeilijk, hoor. Zijn gevoel voor humor is zo specifiek; het vergt een groot begrip om het goed over te brengen. Als je het publiek aan het lachen kan brengen door Haydn te spelen, dan denk ik dat je goed werk hebt verricht (lacht).

Over Brahms’ Eerste Pianoconcerto staat in alle boeken dat het een symfonie moest worden. Wat er meestal niet staat, is dat het ook een symfonie gebléven is, zij het dan met obligate pianopartij. Die is razend moeilijk, maar niet ‘fantastisch’ of sexy genoeg om ermee uit te pakken. Steekt dat, als solist?
Het is inderdaad moeilijk – er zit veel passagewerk in dat erg technisch is, maar nooit zo mag klinken. En je hebt er veel uithoudingsvermogen voor nodig. Maar dat de virtuositeit in dit werk bij wijze van spreken aan de binnenkant zit en de muziek in plaats van de solist dient, geeft je als uitvoerder des te meer voldoening bij het spelen. Je voelt op elk moment dat je Muziek aan het maken bent. Er is niks ‘extra’, er is niks overbodig. Die integerheid maakt het spelen heel bevredigend. Niettemin: je kan maar beter een pianist zijn als je het wilt proberen (hilariteit). (weer ernstig) Naar mijn gevoel zit er veel wanhoop in dit concerto, wat een sterke invloed heeft op Brahms’ pianoschriftuur. Dat lijkt me fundamenteel in de benadering ervan.

Het tweede deel is een portret van Clara Schumann. Wie een beetje vatbaar is voor de verbijsterende schoonheid ervan, ziet daarin de liefde die er tussen Brahms en Clara allicht bestond. Helpt dat soort extramuzikale informatie u als uitvoerder?
Het kan helpen. Frappant aan dit specifieke stuk is dat het zo onaantastbaar en onaanraakbaar is. Dat geeft een vreemd gevoel, want tegelijk is het zo sterk uit het hart gegrepen dat het ook vertrouwd en vertrouwelijk aanvoelt. En misschien is dat wel het hele punt! Misschien was Clara wel onbereikbaar en onaanraakbaar… Die combinatie van passionele tederheid met respectvolle verering, en daarbij inderdaad het feit dat Brahms in een brief aan (violist, red.) Joseph Joachim over een ‘portret van Clara’ schreef, leert mij als uitvoerder veel over het karakter en de subtekst van de muziek.

Een laatste vraag, uit pure nieuwsgierigheid. Zelfs Arturo Benedetti Michelangeli slaagde er nooit in om van een organisator of agent gedaan te krijgen dat hij Reger mocht spelen. hebt u zo’n muziek waarvan u zielsveel houdt en die u doodgraag eens live zou brengen, zonder dat u er vooralsnog de gelegenheid toe hebt gekregen?
Ja, en het is wel grappig dat u daarover begint. Er is immers zo’n fantastisch stuk dat ik al lang en vaak oefen: de sonate van Julius Reubke, de favoriete leerling van Liszt, die echter als twintiger al stierf. Hij schreef een orgel- en een pianosonate, en daar is het zo ongeveer bij gebleven. De pianosonate is een geweldig werk, ik zou ze willen spelen en opnemen. Maar men staat er weigerachtig tegenover. Het is best wel eigenaardig: hedendaagse nieuwigheid zijn mensen bereid te verdragen of te ondersteunen. Wanneer iets oud is en nog onbekend, bestaat die neiging veel minder. Maar ik blijf proberen (lacht).

We zullen helpen. We vertellen iedereen over Reubke.
Geweldig. Alvast bedankt. RT

Paul Lewis soleert met deFilharmonie op 17 september in het Concertgebouw in Brugge, op 18 september in De Roma in Antwerpen en op 19 september in Muziekcentrum De Bijloke in Gent.
infotickets

Categorieën:Interview

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s